Informatie

Een Nieuw vaderland voor de muzen

Karel Porteman
Mieke Smits-Veldt
Omvang
1056 p.
Druk
4
Verschenen
05-03-08
Fonds
BB - Geschiedenis van de Nederlandse literatuur


‘Al wat de wereld vangt, dat valt in onze fuiken’ (Cats). De Nederlandse ‘Gouden Eeuw’ betekende een hoogtepunt op het gebied van kunst en wetenschap. Ook de literatuur bereikte een grote bloei. In de van Spanje bevrijde Republiek, die na amper twee generaties tot een Europese macht was uitgegroeid, speelde zij een belangrijke rol.

Ze ontwierp mede de waarden en idealen van de nieuwe natie; de muzen van de nieuwe, klassiek georiënteerde Europese letteren gaf zij een nieuw vaderland en voor de burgers schiep en onderhield zij een stevig sociaal bindmiddel. Dit fraaie beeld én zijn tegenbeelden worden in dit boek geëvoceerd in een uitvoerig historisch relaas, gekenmerkt door veelheid en verscheidenheid. Daarbij gaat de aandacht niet alleen uit naar de groten (Hooft, Bredero, Vondel, Huygens, Cats) en hét genre van deze periode (het toneel), maar ook naar het literaire bedrijf in zijn geheel: de ontwikkeling van de poëticale opvattingen, de regionale aspecten van de literatuur, de rol van haar drukkers, haar marktwaarde, haar opiniërende, sociale en ontspannende functies, haar netwerken en de plaats van de schrijvende vrouwen daarin, haar vertaalcultuur, haar verbazende religieuze veelkleurigheid, haar lezers en de ontwikkeling van de canon. Ook de letterkunde van de Spaans gebleven Zuidelijke Nederlanden, die zich overigens vaak en graag tot de gehele Nederlandse dichtkunst bekende, komt aan bod, nadrukkelijker dan ooit