Geschiedenis van de Nederlandse literatuur

De Geschiedenis van de Nederlandse literatuur is een breed en overkoepelend overzicht van de geschiedenis van de Nederlandstalige literatuur in negen prachtig gebonden delen. De verschillende delen beschrijven de literatuur uit Nederland en Vlaanderen van de Middeleeuwen tot nu. De negendelige reeks Geschiedenis van de Nederlandse literatuur is voortgekomen uit een initiatief van de Nederlandse Taalunie en staat onder hoofdredactie van Arie Jan Gelderblom en Anne Marie Musschoot. Recent verscheen de afsluitende verantwoording, Ongeziene blikken, waarmee de reeks compleet is.

Begin-1300 Stemmen op schrift

Met visie en passie geschreven, verhaalt Stemmen op schrift over middeleeuwse Nederlandse boeken, maar ook Latijnse, Franse, Duitse en zelfs Oud-Syrische. Over de grote processen achter de middeleeuwse literatuur: over hoe het Nederlands op schrift kwam, het ontstaan van de hoofse cultuur, de expansie van de steden en de ‘bevrijdingstheologie’ van middeleeuwse vrouwenmystiek. Over de grote teksten en auteurs: de eerste Nederlandse schrijver Hendrik van Veldeke, het miljoen verzen van Middelnederlandse ridderromans, de wereldwijd onvergelijkelijke Hadewijch en een vernieuwde kijk op Jacob van Maerlant. Maar ook over de kreupele Margriet, over treffende gezegden van weleer als ‘Wee de muis die maar één gaatje weet’, en over het allereerste werk uit de westerse literatuur met als hoofdpersoon een sympathieke zwarte.

 

 

 

1300-1400 Wereld in woorden

Een ongekend bonte stoet van teksten en schrijvers trekt in een machtig panorama langs. De alom vereerde mysticus Jan van Ruusbroec, maar ook rebelse geesten. Bloedstollende chirurgische geschriften en ethische tegeltjeswijsheden. De unieke abele spelen, de schuine humor van de boerden, en het altijd weer ontroerende Egidiuslied. Zowel grote klassiekers als obscure teksten komen aan de orde, verrijkt met tal van nieuwe vondsten uit recent onderzoek.

 

 

 

 

1400-1560 Het gevleugelde woord

De literatuur is volwassen geworden in de vijftiende eeuw. Ze heeft een eigen taal gevonden en gaat over alles wat mensen opwindt: liefde, hiernamaals, zelfkennis, huwelijk, misstanden in de kerk, het ware geloof, ketterijen en erotiek. Ook zijn er nu auteurs die gevierd worden en van hun pen kunnen leven.

 

 

 

 

 

1560-1700 Een nieuw vaderland voor de muzen

‘Al wat de wereld vangt, dat valt in onze fuiken’ (Cats). De Nederlandse ‘Gouden Eeuw’ betekende een hoogtepunt op het gebied van kunst en wetenschap. Ook de literatuur bereikte een grote bloei. In de van Spanje bevrijde Republiek, die na amper twee generaties tot een Europese macht was uitgegroeid, speelde zij een belangrijke rol.

 

 

 

 

 

1700-1800 Worm en donder

Achttiende-eeuwse schrijvers zijn onderzoekers. Ze verkennen niet alleen de wetten der natuur en die van de samenleving, ze proberen ook de werking van de menselijke geest te doorgronden. Met hun nieuw verworven kennis willen ze de wereld verbeteren. Literatoren zetten alle denkbare genres, stijlsoorten en vertelvormen in om hun idealen te verwezenlijken. Maar wanneer de strijd dreigt te ontaarden in een totale burgeroorlog, blijkt dat de wereld minder maakbaar is dan ze dachten.

 

 

 

 

1700-1800 De weg naar het binnenland

In de achttiende eeuw hebben de Zuidelijke Nederlanden nauwelijks auteurs of teksten voortgebracht die tot de canon van de Nederlandse literatuur zijn gaan behoren. De weg naar het binnenland biedt een antwoord op de vraag hoe dat komt en laat zien welke rol de Nederlandse letterkunde speelde in een meertalige maatschappij, waar het Frans de belangrijkste cultuurtaal was. Het Nederlands was de taal van de letterkunde die voor een breed publiek was bedoeld en deel uitmaakte van het publieke leven: toneel, feestelijke gelegenheidsdichtkunst, prediking, politieke polemiek. Schrijvers deden wat van hen werd verwacht en hielden zich aan de oude recepten, anderen weken van de bekende wegen af en zochten naar verandering en vernieuwing. De veelheid aan teksten, met hun variatie aan thematiek en bedoelingen, tonen de achttiende-eeuwse Zuidelijke Nederlanden in hun eigenheid en verscheidenheid, met moralisme en speelsheid, grootspraak en eenvoud, twijfel en vervoering, conformisme en opstandigheid.

 

 

1800-1900 Alles is taal geworden

Staatkundig, sociaal en cultureel is de negentiende eeuw een eeuw van onophoudelijke beweging en verandering. Alle landen zijn op zoek naar een eigen nationale identiteit, ook Nederland en België, die na een korte mesalliance weer eigen wegen gaan. Daarnaast zijn het de opeenvolgende internationale stromingen van romantiek, realisme en naturalisme die tot keuzes dwingen en leiden tot nieuwe benaderingen van de letterkunde.

 

 

 

 

1900-1945 Bloed en rozen

Een watervlugge afwisseling van literaire generaties en hun tijdschriften, modes en stromingen, dat is de geschiedenis van de literatuur in Nederland en Vlaanderen tussen 1900 en 1945. Het is de tijd van de opkomst en ondergang van totalitaire ideologieën – die ook hun sporen nalaten in de letteren. Maar allesbepalend zijn de twee wereldoorlogen die de status quo van de negentiende eeuw vernietigen.

 

 

 

 

 

1945-2005 Altijd weer die vogels die nesten beginnen

Altijd weer vogels die nesten beginnen laat zien hoe levendig en veranderlijk die literatuur is. Het toont de ontwikkelingen van de laatste zestig jaar, en laat zien welke rol afzonderlijke auteurs daarin gespeeld hebben: Nederlanders, Vlamingen, schrijvers uit voormalig Nederlands-Indië, Suriname en de Antillen, mannen en vrouwen, prozaschrijvers en dichters, autochtonen en allochtonen. Maar bovenal beschrijft Hugo Brems op fascinerende wijze hoe die ontwikkelingen van de actuele Nederlandse literatuur samenhangen met nieuwe manieren waarop literatuur geproduceerd, verkocht en gepromoot wordt. Het gaat dus ook over de opkomst van paperbacks, boekenbijlagen, festivals, stadsdichters, literatuur op internet en nog veel meer.

 

 

 

 

Ongeziene blikken

Verantwoording Ongeziene blikken

In Ongeziene blikken kijken de beide hoofdredacteuren terug op de geschiedenis van het project. Waarom duurde het zo lang totdat het verouderde handboek van Knuvelder een volwassen opvolger kreeg? Welke concrete voorwaarden maakten de plannen voor een nieuwe literatuurgeschiedenis toch levensvatbaar, na jaren van aarzeling en scepsis? Welke wetenschappelijke uitgangspunten waren bepalend voor de aanpak, en hoe zijn die in de afzonderlijke delen gerealiseerd?