Leesfragment: Maxim Februari – Klont

Klik hier voor meer informatie over het boek en om het boek te bestellen.


 

Alexei Krups schrijft een voorwoord
De klont was de vijand. Er zaten krolse straatkatten in de
klont, en filosofen die sigaren rookten, een verkreukeld blikje
Bacardi Cola, een rechtszaak over Afrikaanse bloeddiamanten,
een handvol digitale wormen en wat musicerende bonobo’s.
En nog veel meer natuurlijk. Maar zo krijg je een beetje een
idee.

Het was ongeveer twee jaar geleden, geloof ik, dat geruchten
ontstonden over de klont. In die tijd was ik nog lid van de intelligentsia,
een nette meneer in een donkerblauw Fioravanti-
pak die het belangrijk vond om grote lijnen aan te wijzen,
en dan het liefst in de geschiedenis. Iedere dag bereikte mij een
brede stroom verzoeken om in alle conferentiezalen ter wereld
uit te komen leggen hoe het zit met de chaos in het moderne
leven. In Milaan of Washington sprong ik atletisch het podium
op en ik zei bijvoorbeeld dat de mensen – ‘sinds ze op een
huishoudtrapje zijn gaan staan en de goden uit de hemel hebben
geplukt’ – op zoek zijn naar houvast. De andere leden van
de intelligentsia waren iedere keer weer behoorlijk onder de
indruk van die uitleg. Ik won er prijzen mee.

In Straatsburg vertelde ik aan een zaal vol Europese politici
dat de wereld één grote goddelijke braakbal is waarin je de
onverteerde stukken programmeertaal kunt zien zitten als
onsterfelijke resten tussen het digitale slijm. Kijk maar eens,
jutte ik een week later de ceo van Siemens op toen ik haar met
haar jonge minnaar toevallig tegenkwam in de lobby van
Grand Hotel Arabella. Krab met je nagel een dun laagje van
het aardoppervlak en je ziet de digitale codes zitten alsof het
verkalkte konijnenbotten in een uilenbal zijn. Vermalen muizentÀnd
®é˜V)§ŽÛ vogelveren.

Echt, edelachtbaren, excellenties, deze wereld is niets dan ongestructureerd
sputum, heilig spog en zever, hemelse afsçHEi<
w:Lsd /< semihidden=“true”name=“toc 1”/>, zû.H7
«pÐing, goddelijk fluim. Pas als u dat inzicht toelaat in uw
leven kunt u de chaos om ons heen begrijpen. Er is geen orde.
Er is geen doel. Er is alleen die bovenaardse sh <w:BreakWrappedTables/>
.
m¶Õ€
Ù
http://www.youtube .com/w atch?v=0Bmhjf0rKe8
Íý½>£•:…Ó“néÿ“ú[+žUÕã±±“‘‘H‡³Ü\oe>ŸÏújî¤hè<øªS<‚3,‹Lä
?sõ~Eæsø=6_÷#¤é”MdþÌ¡ //
en daarom, Mister President, omdat ieder verband in de wereld
ontbreekt, hebben we een vijand nodig!
Dat was in die tijd mijn boodschap. Dat de bevolking een vijand
nodig heeft om tot actie te komen. Ik was, zoals de volksmond
zegt, half denker, half generaal, half oplichter, half
yorkshireterriër.
Toen werd het lente. De Huffington Post kwam met de eerste
geruchten over de klont. Een drijvend eiland, zeiden serieuze
jonge mensen in zwarte t-shirts. Een vuilnisbelt van losgebroken
en geradicaliseerde data aan de verre randen van het internet.
En hoewel ik van die hippe verhalen niet bijster veel begreep,
zag ik mijn kans schoon. Uw onderdanen hebben een
vijand nodig, majesteiten, riep ik vanaf mijn podium. En de
klont is de vijand.

Nou ja. Valt het me kwalijk te nemen? Ik ben het die de burgers
een reden gaf om ’s morgens op te staan en aan de slag te
gaan. Hun leven was opeens weer een verhaal van strijd; van
moed, eergevoel, zelftucht en de bereidwilligheid van man tot
man te vechten. In de kolkende file op weg naar hun werk
dachten administratiemedewerkers eraan hoe ze elkaar straks
op straat in stukken zouden scheuren. Ah! De ouderwetse
deugden! Ze toeterden van opwinding.

In de dorpen arriveerden de ooievaars dat jaar vroeger; in de
stad sliepen jong en oud ’s avonds verheugd in, met gebalde
vuisten van grimmigheid en verzet.
Hoog boven de wereld stond een menselijke maan.

Er is nieuws

Bodo Klein, technologie-expert en vooraanstaand ambtenaar
op het ministerie van Veiligheid, stuurde zijn zelfmoordbrief
halverwege de middag rond in een bestand dat geen van de
ontvangers direct kon openen. Vage kennissen gingen zonder
tegenstribbelen aan de slag en zochten naar hulpprogramma’s
om de tekst te kunnen lezen. Maar zijn vrienden begonnen al
na een halve minuut te grinniken toen het niet lukte. Omdat
hij het bestand ‘Bodo Klein’ had genoemd, met daarachter
twee veelzeggende getallen tussen haakjes, vermoedden ze dat
hij dood was, en ze zagen zichzelf met het overbewustzijn van
de eenentwintigste-eeuwer zitten, op zoek naar de bestandsextensie,
surfend langs aanbiedingen van softwarerepairkits; terwijl
intussen die brief daar lag, die de dood van hun vriend
aankondigde. Het was op een gruwelijke manier erg grappig,
zei Nick later.

Terwijl alle ontvangers zo machteloos naar hun beeldscherm
staarden deed Colette, de vrouw van Bodo, snel wat boodschappen
in de stad met niemand minder dan de prins en de
prinses.

Had ze ergens onderweg haar post gecheckt, dan had ze de
brief gevonden waarin haar echtgenoot zijn beslissing aan
haar voeten legde, triomfantelijk zoals een poes een dode muis
op de deurmat legt. Maar Colette had het druk, ze was op stap;
de prins was tien jaar oud, de prinses dertien en Colette moest
hoognodig met de een gymschoenen kopen en met de ander
iets zwarts en volwassens.
Konden hun ouders dat niet doen?
Jawel, maar die hadden er geen zin in.
De prinses lag dwars en zei dat ze liever wachtte op een man
die kleren voor haar zou kopen. En denk maar niet dat ze dan
genoegen nam met een bontjas, ze wilde een tijger, die ze zou
dragen als een levend accessoire, zijn poten om haar schouders
en zijn tanden in haar nek. Colette knikte afwezig en keek
op haar horloge. Bijna kwart voor drie. Ze moest alweer gauw
voor teamoverleg in het ziekenhuis zijn. Veel speling zat er niet
in die paar uur die ze vandaag vrij had genomen voor haar
kleinkinderen.
Vooruit, zei ze. Waarom moet ik altijd, altijd op jullie wachten.
Gehaast haalde ze een jurkje uit het rek en ze schoof haar
kleindochter zonder pardon de paskamer in. Colette was de
enige die zo vreselijk op de kinderen mocht mopperen, want
ze was de enige die van hen hield. En hun ouders dan? Hm.
Dat weet je nooit.

Het eenentwintigste-eeuwse ministerie van Veiligheid, waar
Bodo Klein werkt, is een burcht die dreigend oprijst boven het
centrum van de stad. Als Bodo zijn bezoekers ophaalt uit de
centrale hal om ze met zijn Rijkspas naar binnen te loodsen,
vertelt hij altijd met trots dat het gebouw vroeger onderdak
gaf aan het ministerie van Landbouw. Vooral de jeugd is onder
de indruk van die voorgeschiedenis. Hippe jonge mensen blijven
in de hal graag een tijdje staren naar de Russische schilderijen
die uit de landbouwtijd zijn blijven hangen: ouderwets
wuivende graanvelden met twintigste-eeuwse tractoren en op
de voorgrond jonge, communistische boerinnen in blauwe
overalls. Zo idyllisch als de wereld toen was.
In de binnentuinen staan twaalf bijenkasten, die zijn achtergebleven
toen Landbouw werd opgeheven.

Bodo werkt in de d-vleugel op de derde verdieping. Kamer
03.42. Soms vindt hij ’s morgens als hij binnenkomt een gestorven
werksterbij tussen zijn papieren. Op zoek naar nectar
is het dier verstrikt geraakt in de complexiteit van het gangenstelsel
en het heeft net zo lang gezocht tot het een lichtstraal
vond, een opening, een deur die beloftevol op een kier stond.
Maar hoewel het zonovergoten nummer 03.42 van een afstandje
kennelijk oogt als de weg naar buiten, eindigt elk
avontuur hier roemloos; de bij stort uitgeput neer op Bodo’s
verslagen en rapporten. De tong klapt naar voren, de poten
verstijven, het achterlijf trekt nog een tijd lang als een harmonica
samen; uren later kun je de doodsstrijd zien in de gele
vegen van stuifmeel die de vleugels op het papier hebben achtergelaten.

Bodo laat het beest meestal een paar dagen liggen, draait
hem met een balpen op zijn buik en schuift hem tijdens het
telefoneren gedachteloos heen en weer, totdat er gaten vallen
in de vacht en de antennes afbreken. Dan veegt hij de losse
stukken – antennes, poetsinrichting, wasspiegels – in een glazen
potje dat hij daarvoor speciaal boven op zijn dossierkast
bewaart.

Op de zeldzame momenten dat hij alleen en ongestoord in
het ontvangstgedeelte van zijn werkkamer zit, kijkt hij vanuit
zijn stoel wel eens omhoog naar zijn verzameling werksteronderdelen.
Die herinnert hem eraan dat het gebouw, sinds
de drie voormalige ministeries van Onderwijs, Gezondheid en
Buitenlandse Zaken erin zijn samengevoegd tot het moderne
ministerie van Veiligheid, een onherbergzame vesting is geworden.

Godallemachtig, helemaal vergeten. Kwart voor drie. Bodo’s
brief! In de vier verschillende vleugels van het departementsgebouw
zien veel van zijn ambtelijke collega’s, als ze tenminste
in Bodo’s digitale adresboekje staan, de brief gelijktijdig op
hun scherm verschijnen. Het ene moment zitten ze in de volle
waardigheid van de staatsdienaar nog onbewogen carrière te
maken, het volgende moment schiet de een na de ander – hoppa
– overeind en kijkt ongelovig om zich heen.

Meteen begint door het gebouw het gezoem en gegons te
klinken van al die nijvere ambtenaren die niet goed weten wat
ze ermee aan moeten. Want zeg nu zelf. Bodo! Je kunt wel zien
dat er iets onbeschrijflijks is gebeurd, maar aan de andere kant
gaat het hier wel om dr. Bodo Klein, de duivelse spotter van
wie je alles kunt verwachten; het zou ze dan ook niet verbazen
als de brief een lugubere test blijkt te zijn om hun digitale
vaardigheden op de proef te stellen, en misschien moet je er
dus niet te zwaar aan tillen.

In die allereerste seconde raken eerlijk gezegd alleen de stagiaires,
voor wie Bodo een god is, de legende voor wie ze speciaal
naar deze zwaarbewaakte burcht zijn gekomen, serieus in
grote verwarring. Holy crap. Ze zitten daar überhaupt nogal
geïsoleerd in de oude archiefkamer aan twee lange tafels; hun
persoonlijke bezittingen op planken aan de wand (opladers,
koffiemokken, zonnebrillen in blauwe etuis met stickers van
Apple en de Koninklijke Reddingsbrigade) en ze voelen zich
sociaal en hiërarchisch volslagen afgesloten van de ambtelijke
werkgemeenschap verderop.

Toch staat de getalenteerde jonge ingenieur Nas op de persoonlijke
mailinglist van Bodo. Want de eerste dag dat Nas op
dit ministerie werkte hadden ze hem naar meneer Klein gestuurd,
om iets uit te zoeken over digitale oorlogsvoering, en
Bodo had hem onder zijn hoede genomen en meegesleept
naar de kamer van de minister – ‘het mag toch niet gebeuren
dat de minister helemaal alleen thee moet drinken?’ – en
sindsdien waren ze bevriend, internationaal vermaard pionier
op het gebied van digitalisering en veiligheid prof. dr. Klein en
hij.

Nas is een grappig mannetje – dat is wat zijn moeder zegt,
‘je bent een grappig mannetje’ – en hij is blij dat hij op deze
plek iemand heeft ontmoet die net zo monter en opgewekt is
als hij. ‘I love him, man’, zucht hij tegen Jabella, die tegenover
hem aan de houten tafel werkt, iedere keer dat ze meneer
Klein over de gang voorbij zien snellen. Held, fleemt hij. Nee
serieus, hij zou voor de man de woestijnen doorkruisen en er
een nummer over schrijven en dat remixen met ‘Hallelujah’
en dan beatmatchen, maar zelfs als hij zo harmonieus zou
fraseren dat de hele nacht nergens een gat viel, dan nog zou
dat in de verste verte geen adequate weerspiegeling zijn van
het respect dat hij diep in zijn borst voelt voor de man van
wie nu opeens deze brief in geheimschrift op het scherm verschijnt.
Holy shit wat een gezeik man Jabella, dit ga je toch
niet geloven, wat moeten ze nu doen met meneer Klein? Uitwuiven?

Luttele minuten daarvoor had Kirstin Elias, de jeugdige minister
van Veiligheid, zich in de binnenste gewelven van het
gebouw met een kop koffie achter haar negentiende-eeuwse
neorococo schrijftafel gezet om te kunnen nadenken. Nu alle
bezoekers waren vertrokken had ze de deur van haar werkkamer
dichtgedaan en haar geest vakkundig afgesloten voor de
buitenwereld. Zo merkte ze niets van de eerste onrust rondom
het merkwaardige doodsbericht op de gangen.

Minister Elias fronste haar wenkbrauwen. Eerst haar linkerwenkbrauw,
en toen dat niet hielp, ook haar rechter. Het was
een van die zeldzame dagen waarop ze zuchtte onder haar verantwoordelijkheid.
Op de leeftijd van vierendertig jaar was ze
volwassen genoeg om haar belangrijke taak te verrichten; tegelijk
wachtte ze nog steeds met jeugdige gretigheid op veranderingen,
en vandaag kon ze de verandering proeven, ze wist dat
er in de wereld een revolutie op komst was, maar ze kreeg er
geen vat op. Dat maakte haar ongeduldig en onrustig.
‘U hebt een horizontale persoonlijkheid’, had een journalist
haar een dag eerder voor de voeten geworpen, opmerkzaam
zoals journalisten zijn.
‘Ik kan ook heel verticaal zijn, hoor’, had Kirstin geglimlacht.
Ze keek de serieuze man met zijn ronde brilletje stralend
aan. Zoek jij maar naar spirituele verheffing en hemelse vrede,
stuk onbenul, dacht ze, dan zorg ik dat alles hier op aarde
werkt.
Hoewel ze tegenwoordig haar dagen alleen nog in de bureaucratie
doorbracht, was Kirstin vanaf haar prille jeugd het
meest gefascineerd door de echte wereld, die van de dingen.
Dat was ook de reden waarom ze in haar studietijd gegrepen
was geraakt door een essay waarin de Franse filosoof Gilles
Deleuze de maatschappij koppelde aan de machine. Zijn beschouwing
had haar het besef bijgebracht dat er een direct
verband is tussen ding en gedachte. Dat ieder tijdperk een eigen
relatie kent tussen de stand van de techniek en de stijl van
besturen.

In de zeventiende en achttiende eeuw, legde Deleuze haar
uit, had je soevereiniteitsmaatschappijen waarin van hogerhand
werd beschikt over leven en dood van mensen. Daarbij
hoorden noeste, bedrijvige machines. Zoals hefbomen, takels
en klokken. Daarna kwamen de disciplinemaatschappijen.
Die brachten mensen onder in instellingen – gezinnen, gevangenissen,
scholen – om ze hardhandig te kneden en tot groepen
te vormen. Deze moderne maatschappijen beschikten
over efficiënte elektrische typemachines en prikklokken; het
gevaar kwam van de kant van saboteurs of van de systemen
zelf, die konden ontaarden en uiteenwaaieren in wanorde.

De disciplinering van de westerse mens zette door, totdat in
de nieuwe tijd de controlemaatschappijen zich aandienden.
Zoals de samenleving die de jonge studente Kirstin Elias met
een gretigheid van tachtig uur per week bestudeerde en die ze
later graag zou helpen opbouwen. In dit moderne tijdperk zag
je de opkomst van weer een nieuw soort machines – computers
en slimme apparaten – die het individu niet vastlegden op
een plek in plaats en tijd, maar hem aan alle kanten omgaven
en permanent volgden, de maat namen, penetreerden, corrigeerden,
polijstten, opjaagden, afremden en verbeterden. Het
gevaar school in besmetting en storing.

Aan deze snelle historische uitleg voegde Deleuze nog toe
dat het bij deze ontwikkeling ging om meer dan verandering
van techniek. In eerste instantie, schreef hij, is de controle een
mutatie van het kapitalisme.
Kirstin Elias maakte in haar geheugen dankbaar plaats voor
de analyse, die eigenlijk van de filosoof Foucault stamde, maar
dat detail was ze alweer snel vergeten.

Ze hield ervan over machines te praten, en over toestellen
en automaten, ook al kwam ze niet verder dan praten, en ook
al kende ze de stoffelijke wereld alleen uit de teksten die ze erover
las. Na haar studie vond ze een baan als onderzoeker op
het gebied van veiligheid en veiligheidsdiensten, en tijdens die
hongerige eerste jaren van haar carrière gebruikte ze de indeling
van Deleuze als haar instrument. Gewapend met zijn essay
kon ze een snelle inschatting maken van de techniek die ze
voor zich had en de bestuursmogelijkheden die daarmee verbonden
waren.

Als geen ander begreep Kirstin in die beginjaren dat het ministerie
van Veiligheid ooit, na de aanslagen op de Twin Towers,
was opgericht om de controlemaatschappij te dienen.
Met de inzet van alle kennis op het gebied van cybernetica die
voor het uitoefenen van de totale staatscontrole beschikbaar
was.

Stel je voor, hield ze zichzelf iedere ochtend opnieuw dankbaar
voor, als ze zich in de badkamerspiegel omtoverde van
een meisje in een medewerker, ze was als jonge onderzoeker
zomaar vanzelf terechtgekomen in de wereld die de twintigste-
eeuwse zieners en filosofen hadden voorspeld! Tegelijk was
ze natuurlijk ook niet zo naïef te geloven dat hiermee de maatschappelijke
ontwikkelingen ten einde waren; ze was voorbereid
op veranderingen. Ze keek ernaar uit.

We kunnen achteraf vaststellen dat Kirstin Elias niet zo lang
op verandering hoefde te wachten als ze had voorzien.
Inmiddels was ze minister, de jongste minister van het ka-
binet, en ze rende nog steeds met jeugdig elan door de gangen
van het departement, op pumps van Maison Margiela, haar
blonde haar in een paardenstaart en ‘oorbellen als variabele
waterjuffers’, zoals de politiek commentator van het journaal
het met smaak formuleerde.

Een jaar eerder was ze door haar partij bij de samenstelling
van de regering als een van de scherpzinnigste geesten van
haar generatie naar voren geschoven. In kringen rondom de
mp bestond volop vertrouwen in haar toewijding aan de veiligheid.
De top van het departement wist zeker dat ze de organisatie
met vaste hand zou gaan leiden.

Het internet is op kamertemperatuur, hadden ze haar in die
tijd verzekerd. Daar hoefde ze niets meer aan te doen. Ze kon
gemakkelijk de machtsgreep van de staat erop versterken, zonder
zelf aan de slag te hoeven met schroevendraaiers of aandrijfkettingen.
En in het begin was dat ook zo.
Ze wist wat ze deed.
Totdat ze in de loop van haar ministerschap begon te bespeuren
dat ergens in de verte iets donkers rommelde. Ze kon
niet zeggen wat het was, maar het gromde eerst in de onherbergzame
uithoeken van het internet, in de kringen van het
Tor-netwerk, op hackfests en op lan-party’s; na verloop van
tijd merkte je het ook in de wereld buiten het gebouw, waar
het echte leven voortraasde.

Er dreigde iets. En zelfs als Kirstin niet wist wat het was, kon
ze het ruiken.

Nu de laatste weken de geruchten waren aangezwollen en
ze steeds vaker iets opving over een klont van tegenstribbelende
data en algoritmes, was het hoog tijd dat ze werd bijgepraat.
Als er een klont was, wilde ze er alles van weten. En dus had de
jonge minister haar ambtenaren opgedragen haar agenda radicaal
leeg te vegen en op discrete wijze ontmoetingen voor
haar te regelen. Zo kon het gebeuren dat deze laatste uren een
bonte stoet door haar kamer was getrokken van hele en halve
geleerden. Deskundigen en adviseurs. De een nog prominenter
en innovatiever dan de ander.

Haar laatste bezoeker, een beroemdheid uit het wereldwijde
sprekerscircuit, was verdwenen met het in goudgeel folie verpakte
koffiekoekje van het schoteltje, dat hij geoefend in de
zak van zijn donkerblauwe Fioravanti-pak had laten glijden
net voordat hij haar een hand gaf, en nu hij weg was vroeg
Kirstin zich vertwijfeld af of er nog iets te eten was in het gebouw.
Eten! Het was er sinds zes uur vanochtend niet van gekomen.
Maar ze vergat de gedachte alweer snel en nam een
slok koud geworden koffie.

De afgelopen uren hadden haar niets opgeleverd. Geen
analyse. Geen model. Noppes. De veiligheid van het land lag
als een zware verantwoordelijkheid op haar tengere schouders
en niemand die haar kwam helpen. Eenzaam zat ze daar aan
het oude houten tafelblad met de zwarte inktvlekken van klerken
en referendarissen die allang dood waren.

In deze verkennende fase, nu het parlement van niets wist en
niemand haar vragen stelde, probeerde Kirstin Elias het probleem
van de klont vooral te zien als een soort videospel waarin
haar eigen rol nog niet definitief was vastgelegd. Zolang die
klont niet veel meer bleef dan een vage intuïtie van jonge activisten,
stonden alle opties immers nog wagenwijd open.
Gingen radicale kunstmatige systemen de wereldheerschappij
overnemen? Zouden ze het heelal in reizen? Wie weet.
Haar reactie was op dit moment volkomen vrij, het spel
kende voorlopig weinig regels en nauwelijks prominente spelers.
Het was helemaal aan haar. Ze kon aliens in de mix gooien.
Ze kon besluiten een bod te doen op Silicon Valley, als dat
de overzichtelijkheid van het scenario ten goede kwam. Vanmiddag
zat ze almachtig in haar verlaten vertrek en ongeduldig
trok ze beurtelings haar rechter- en linkerwenkbrauw op.

Bodo Klein dus, want daar hadden we het over, Bodo Klein
stuurde zijn brief precies, nee echt, exact op het moment dat
Kirstin zo onvoldaan in haar kamer zat te staren naar de muur
met een zwart-witfoto van Sebastião Salgado waarop zwartberoete
mijnwerkers te zien waren, met witte lippen.

Kirstin keek geërgerd op toen haar nieuwe secretaris op de
deur klopte, maar toen de jonge man met zijn telefoon voor
zich uitgestrekt door de kamer naar haar toe begon te hollen
was ze meteen terug in de werkelijkheid. Hij liet haar het bericht
op zijn scherm zien en nog voordat hij het hele verhaal
had uitgelegd, begreep ze dat Bodo dood was.

Ogenblikkelijk besefte ze ook welke reactie ze straks, op
persoonlijke titel, via de sociale media de wereld in zou sturen.
‘Ontstellend en onnodig.’ Misschien zou zelfs van haar worden
verwacht dat ze bij de begrafenis sprak.

In die staat van zelfvertedering zat ze twee seconden bewegingloos
op haar stoel voordat ze opsprong en achter de secretaris
de gang in rende om te kijken of een van haar ambtenaren
de code van de afscheidsbrief al had gekraakt.

Zo snelden ze achter elkaar aan door de gangen naar de
lounge bij de trap op de derde verdieping, totdat ze rondom een
werktafel een kleine groep hoogwaardigheidsbekleders zagen
zitten, in hemdsmouwen en met verhitte gezichten, verwoed
bezig de brief te repareren. De Directeur Social Engineering had
in de gauwigheid voor een paar euro een herstelprogramma
gekocht: zijn persoonlijke creditcard lag als bewijs van zijn generositeit
nog losjes op de hoek van de tafel. En omdat hij zich
door dit offer verantwoordelijk voelde voor de hele operatie,
snauwde hij ongeduldig tegen zijn collega’s om te horen of ze
suggesties hadden. Maar toch, hoewel het departement al zijn
geesteskracht beschikbaar had gesteld voor de zaak, weigerde
het bestand hardnekkig open te gaan.
‘Bel Colette’, blafte de Directeur Social Engineering tegen
niemand in het bijzonder. Hij rolde zijn bureaustoel achteruit
en keek beledigd naar het scherm.
‘Alsof Colette niks anders aan haar hoofd heeft dan softwareproblemen’,
zei de minister praktisch. ‘Haar man is dood.’

Nu de woorden waren uitgesproken, daalde de ernst van de
situatie over de aanwezigen neer. Ze zwegen. Niemand wist wat
te doen, totdat al hun telefoons tegelijkertijd afgingen, de buitenwereld
zich meldde en het nieuws zich verspreidde. Razendsnel.
De kranten plaatsten het bericht onmiddellijk online.
Dat moesten ze wel doen omdat – zoals ze later zouden uitleggen
– hun lezers er recht op hadden het te lezen.
Een paar tellen later was iedereen in de gebouwen van de
grote stad op zoek naar die ene handige jongen die de brief
kon lezen waarin Bodo Klein aan de mensheid verklaarde
waarom hij zelfmoord ging plegen.
Intussen had Bodo, thuis achter zijn werktafel, besloten ervan
af te zien.

 

Klik hier voor meer informatie over het boek en om het boek te bestellen.